Over het historische verband tussen de nar en de patafysicus
Een vrolijk dwaallicht die het hoe dan ook meent
Er huist een nar in mij die het regelmatig overneemt. Niet als vermomming, maar als een oeroud residu van een functie die ooit onmisbaar was: de nar als spiegel, als heilige dwaas, als degene die bij machte was om de macht te ondergraven zonder zijn hoofd te verliezen. En ik begin steeds meer te begrijpen dat deze nar, die lacht op de grens van waanzin en inzicht, een vroege belichaming is van wat later de patafysica zou worden genoemd, het absurde logische alternatief voor de gewone logica.
De geschiedenis van de nar is die van een marginale waarheid. Hij was geen cabaretier die grapjes maakte over de koning, maar een functionaris van het ongepaste. Hij sprak de waarheid in de vorm van ongerijmdheid. Zijn rol was niet om te entertainen, maar om te desorganiseren. Juist in die desorganisatie, in dat oprekken van betekenis, schuilt de kern van de patafysica.
De nar als de levende voorouder van de patafysicus. Allebei begeven ze zich op de rand van het betamelijke. De nar mocht spreken als niemand anders dat mocht. Hij sprak in omkering, in spiegeling, in klanknabootsing. Hij maakte van logica een kwestie van ritme en van zinnigheid een spel van dubbelzinnigheid. Evenzo neemt de patafysica het rationele denken ernstig, maar dan op zo’n manier dat het op zijn eigen fundamenten onderuit schuift met een uitgekiende voetnoot, een paradox.
In mij leeft dus niet zomaar een grappenmaker, maar een denker die zich hult in de mantel van het belachelijke om iets ernstigers aan te kaarten: de tragikomische absurditeit van het bestaan, het verklaren, het helder krijgen. De patafysicus weet dat het leven niet samen te vatten is in abstracties. Hij weet dat de uitzondering niet de regel bevestigt, maar haar ondermijnt. Zoals de nar door zijn lichaam, zijn gebaren, laat zien dat waarheid niet in regels zit, maar in hun ontsporing.
Alfred Jarry, geestelijk vader van de patafysica, was wat je noemt een moderne nar. Zijn figuur Père Ubu, grotesk en autoritair, maakt van de macht een karikatuur. Jarry noemde de patafysica een "wetenschap van de denkbeeldige oplossingen". Dat is precies wat de nar doet: hij biedt geen werkelijke oplossingen, maar creeërt denkbewegingen die ontsnappen aan het gevestigde kader. Hij is geen hervormer maar een verstorende aanwezigheid. En daarin schuilt zijn kracht. En die kracht voel ik, als kunstenaar, als mens, als dwaas onder de mensen.
Soms denk ik dat de wereld een tekort heeft aan narren. Teveel rechters, te weinig spot. Teveel diagnose, te weinig paradox. Daarom verhef ik mijn binnenste nar tot kompas. Hij fluistert mij de logica van het bijzondere in. Hij laat mij toe het absurde te eren als vorm van dieper weten. En in die zin, zou ik willen zeggen, is elke echte patafysicus ook een nar, of althans: iemand die het spel speelt van het denken alsof het niet vastligt, alsof de waarheid zich voordoet als een vergissing die blijft terugkeren.
Zo draag ik mijn dwalingen, mijn ontsluitingen, belletjes met trots. Want wie de nar serieus neemt, zal ontdekken dat de wereld wankel is – en dat juist in die wankeling een andere vorm van evenwicht schuilt.



0 Comments